Ondernemingsrecht

Twee ondernemers nemen samen een bedrijf over, ieder voor 50%. Ze vormen samen het bestuur, verdelen het werk informeel en gaan vol vertrouwen aan de slag. Totdat het misgaat. Liquiditeitsproblemen, verwijten over en weer, een aansprakelijkstelling namens de eigen vennootschap en uiteindelijk twee spiegelbeeldige verzoeken bij de Ondernemingskamer: stoot de ander uit. Een recente beschikking van de Ondernemingskamer laat zien hoe zo’n patstelling wordt doorbroken, en welke lessen hieruit te trekken zijn.

Twee ondernemers, de een met een commerciële achtergrond, de ander met een technische, namen in juli 2024 via hun persoonlijke holdings ieder 50% van de aandelen in een industrieel bedrijf over. Het bedrijf fabriceert en installeert smeersystemen en levert instrumenten voor de industrie, met zeven werknemers in dienst.

Al snel na de overname liep het mis. In de administratie bleken e-mails van de ziekteverzuimverzekeraar maandenlang ongeopend te zijn gebleven, waardoor voor twee langdurig zieke werknemers geen uitkeringen werden ontvangen. Er ontstond een liquiditeitstekort, betalingsachterstanden bij de belastingdienst en problemen met leveranciers.

De commercieel directeur wees de technisch directeur als schuldige aan en liet hem namens de vennootschap aansprakelijk stellen voor een geschatte schade van € 100.000 op grond van artikel 2:9 BW, zonder eerst het mediationvoorstel van de ander te aanvaarden. De technisch directeur betwistte de gestelde taakverdeling en stelde op zijn beurt voor om in gesprek te gaan, een aandeelhoudersovereenkomst op te stellen en de taken helder te verdelen. Daar stond de commercieel directeur niet voor open.

Het resultaat: twee 50%-aandeelhouders die ieder de Ondernemingskamer vroegen om de ander uit te stoten.

Collegiaal bestuur: je kunt je niet verschuilen

De kern van de beschikking raakt een thema dat in de praktijk bij kleine BV’s vaak over het hoofd wordt gezien: het beginsel van collegiaal bestuur. De Ondernemingskamer overweegt dat dit beginsel meebrengt dat alle bestuurders verantwoordelijk zijn voor een goede uitoefening van de bestuurstaak. Artikel 2:9 BW maakt weliswaar een statutaire taakverdeling mogelijk, maar de statuten van deze vennootschap voorzagen daar niet in. Informele werkafspraken zijn daarvoor onvoldoende.

De commercieel directeur had betoogd dat de technisch directeur verantwoordelijk was voor de “financiële en administratieve aansturing”. De Ondernemingskamer ging daar niet in mee. De technisch directeur was als monteur in dienst getreden, had geen administratieve achtergrond, en beide bestuurders vertrouwden voor financiële zaken op de interne controller en de externe accountant. Dat de commercieel directeur zelf pas in december 2024, op aanraden van de controller, haar eigen internetbankierentoegang had geactiveerd, sprak boekdelen.

Conclusie van de Ondernemingskamer: voor de administratieve en financiële problemen waren beide bestuurders min of meer gelijkelijk verantwoordelijk.

Escalatie

Het omslagpunt in de zaak was niet het liquiditeitstekort zelf, maar de reactie daarop. De commercieel directeur wees een mediationvoorstel af en liet de ander vervolgens aansprakelijk stellen voor € 100.000. De Ondernemingskamer oordeelde dat die aansprakelijkstelling “zonder goede grond” leek te zijn verzonden en tot aanzienlijke advocaatkosten voor de vennootschap had geleid, terwijl voorzienbaar was dat de verhoudingen daardoor aanmerkelijk zouden verslechteren.

Ook op een later voorstel van de advocaat van de technisch directeur om in gesprek te gaan over een taakverdeling en een aandeelhoudersovereenkomst reageerde de commercieel directeur niet positief. De Ondernemingskamer concludeerde dat de commercieel directeur “in overwegende mate verantwoordelijk” was voor het creëren van een klimaat waarin samenwerking onmogelijk werd.

Een pikant detail: de commercieel directeur had een werknemer een officiële schriftelijke waarschuwing gegeven voor het versturen van een ansichtkaart aan een zieke collega waarop twee namen ontbraken. De Ondernemingskamer vond dat niet “erg proportioneel”.

Het Salomonsoordeel: wie mag blijven?

Bij uitstotingsverzoeken door beide aandeelhouders moet de Ondernemingskamer uiteindelijk kiezen. Het criterium is of de aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig heeft geschaad dat het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:336a BW). Daarbij maakt de Ondernemingskamer een belangenafweging.

In deze zaak waren verschillende factoren doorslaggevend:

  • Beide aandeelhouders hadden het belang van de vennootschap geschaad, maar de commercieel directeur had door de ongefundeerde aansprakelijkstelling en het afwijzen van mediatie- en gespreksvoorstellen de escalatie veroorzaakt.
  • Vijf van de zeven werknemers zouden waarschijnlijk opstappen als de commercieel directeur zonder de technisch directeur zou doorgaan. Het behoud van personeel was voor het belang van de vennootschap doorslaggevend.
  • Het onjuiste pasgebruik door de technisch directeur bij een belangrijke klant was weliswaar “een slecht voorbeeld”, maar na excuses was de relatie hersteld.

De uitkomst: de commercieel directeur moest haar aandelen overdragen voor € 220.000, iets meer dan de oorspronkelijke aankoopprijs van € 200.000, met daarbovenop een non-concurrentie-/relatiebeding en voor de belangrijkste klanten en leveranciers, op straffe van dwangsommen.

Lessen voor de praktijk

Deze zaak biedt enkele concrete lessen:

  1. Leg de taakverdeling vast in de statuten. Informele afspraken over wie waarvoor verantwoordelijk is, bieden onvoldoende basis om je als bestuurder te disculperen. Artikel 2:9 BW vereist een statutaire taakverdeling. Zonder die vastlegging geldt het beginsel van collegiaal bestuur onverkort en zijn alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk.
  2. Stel een aandeelhoudersovereenkomst op. Bij een 50/50-verhouding is een goede aandeelhoudersovereenkomst geen luxe maar noodzaak. Denk aan afspraken over geschilbeslechting, een deadlock-regeling, en een exit-mechanisme. In deze zaak ontbrak een dergelijke overeenkomst, met alle gevolgen van dien.
  3. Escaleer niet zonder grond. Een aansprakelijkstelling namens de vennootschap tegen de mede-bestuurder/aandeelhouder is een zwaar middel. Wie daartoe overgaat zonder afdoende feitelijke basis, en tegelijkertijd mediationvoorstellen afwijst, riskeert dat de Ondernemingskamer concludeert dat juist hij de samenwerking onmogelijk heeft gemaakt
  4. Het personeel telt mee. Bij de belangenafweging weegt de Ondernemingskamer het draagvlak bij het personeel mee. Wie het team achter zich heeft, staat sterker.

Heeft u vragen over de geschillenregeling of wilt u sparren over het inrichten van de bestuurstaken? Stuur vrijblijvend een mail naar Ebru Mertturk.

 

 

 

 

Ebru Mertturk
Volg Ebru Mertturk: